Jan Burssens (1925-2002)

Jan Burssens (1925-2002)

Works around 1960, a retrospective.

1st April 2011 - 1st May 2011.

 

 

Preface.

 

Jan Burssens was one of the foremost artists of his generation. He participated in numerous group and solo exhibitions, (o.a. Documenta, Biennale di Venezia, Biennale di Sao Paolo, etc.) his work features in public collections (S.M.A.K., Guggenheim New York, …) and is coveted by numerous important private collectors.

It has been almost 10 years since the artist’s death, so we thought it necessary to show an important body of his early works. This way, his friends and supporters can relive their vivid emotions on seeing these works for the first time, back in the fifties and the sixties. We are sure that their esteem for Burssens’ work will have grown with time. Perhaps more importantly, we want to show the work of this modern master to the young, artist or collector alike, who no doubt will look upon his work with different eyes and fresh thoughts.

Jan Burssens is a modern master. Now that time has silenced the noise of circomstance, his work stands out. This exhibition reunites for the first time in more than 50 years, important works from private collections. Most of the works have never been seen in public since their creation. The importance, the quality, the scale and rarity of the works on display transform our downstairs gallery in a Burssens ‘environment’.

It is an honour for us to be able to mount this show, and we wish to thank the lenders to the exhibition, the Burssens family and all those who made the realisation of this project possible.

This text is published to support the retrospective exhibition: 'Jan Burssens (1925-1960) - Works around 1960.' in Galerie St-John, Gent. 

 

 

Jan Burssens (1925-2002).

 

 

Jan Burssens werd geboren te Mechelen op 27 juni 1925. Vader Amaat was professor Afrikaanse taal- en letterkunde aan de Gentse universiteit en zijn oom was de bekende dichter Gaston Burssens. De familie Burssens vestigde zich vrij vlug te Gent. Jan volgde er lessen aan het Gentse Koninklijk Atheneum en tijdens de oorlogsjaren te Melle bij de Jozefieten.

In 1942 volgde hij een aantal maanden lessen aan de Sint-Lucasscholen en ontmoette hij Dan Van Severen. Het jaar erop volgde hij zijn eerste lessen aan de Gentse Academie, waar hij in de klas ‘Stilleven’ les kreeg van Hubert Malfait. Burssens betrok een klein atelier in het Pand in Onderbergen en onderhield goede contacten met André en Karel Geirlandt, Jan Saverys en Paul Rogghé. Door de oorlogssituatie werd er zeer onregelmatig lesgegeven op de Academie en het duurde tot in 1945 wanneer Jan nog enkele lessen ‘Levend Model’ kon volgen bij Jan Mulder.

Burssens werd echter aangetrokken door de snelle evolutie in de moderne kunst en liet de Academie achter zich en vertrok in 1946 naar Nederland, waar hij in contact kwam met Karel Appel en Corneille en de dichters Bertus Aafjes en Gerrit Achterberg. Zijn legerdienst onderbrak echter dit Nederlandse intermezzo. In 1947 logeerde Corneille een tijdje bij de familie Burssens te Melle, zodat de Nederlandse contacten - ook met Appel die regelmatig in België verbleef – werden onderhouden. Jan en nonkel Gaston Burssens vatten ondertussen het plan op om een boerderij te beginnen in Sint-Idesbald, maar Jan vertrok een jaar later op studiereis naar Italië. België was een boer armer maar een kunstenaar rijker.

Een verblijf in Duinbergen opende de jonge schilder definitief de ogen: niet alleen veranderde hij radicaal van stijl, Burssens begon te experimenteren met vreemde materie in verf: zand, keitjes en schelpen werden in de verfmassa gemengd om bepaalde kleureffecten en texturen te creëren. Ook de driptechniek deed zijn intrede.

In 1950 vinden we Burssens terug in de Veldstraat te Mariakerke, het eerste echte atelier van de kunstenaar en een trekpleister voor tal van schilders, dichters en kunstenaars die tot het avant-garde milieu behoorden. Burssens nam in zijn schilderkunstige evolutie afstand van de figuratie om te komen tot enerzijds geometrisch abstracte werken, anderzijds tot abstracte werken die hun oorspronkelijke figuratieve inspiratiebron nog enigszins vasthouden.

In 1952 was Burssens één van de medestichters van de groep “Art Abstrait”. Samen met onder meer Pol Bury, Georges Collignon, Jo Delahaut, Jean Milo, Léopold Plompteux en Jan Saverys exposeerde hij in binnen- en buitenlandse galeries en musea.

Het dogmatische karakter van het programma van de groep dwong Burssens, die tegelijkertijd nog steeds met een ‘abstracte-figuratie’ aan het experimenteren was, “Art Abstrait” al na een jaar, in 1953, te verlaten.

Het afstand nemen van de groep betekende voor Burssens een bevrijding: hij ging zijn eigen weg en dit resulteerde in de meest creatieve en originele periode in zijn carrière. Burssens was nooit geïnteresseerd in de abstractie op zich; hij zocht een manier om in zijn werk de energie en vitaliteit weer te geven die hij in de natuur waarnam. Burssens formuleerde het als volgt:

 

“[Ik verlang] schilderijen te scheppen met zo’n innerlijk leven, dat men aldoor de indruk krijgt dat ze gaan openbarsten.”

 

Naast tal van andere tentoonstellingen in het kader van “Art Abstrait” nam Burssens voor het eerst deel aan een belangrijke internationale tentoonstelling, met name de 2de Biënnale van Sao Paulo. Het zou de eerste in een lange rij van belangrijke buitenlandse exposities zijn waar de kunstenaar werd op uitgenodigd.

Vanaf het midden van de jaren 1950 lijkt Burssens zijn thema’s te hebben gevonden. Enerzijds de natuur die soms heel direct inspireert tot schilderijen (De vijver, Landschap, De krab,…), of soms indirect leidt tot werken als de zogeheten Minerale structuren. Anderzijds is er de mens die voor Burssens steeds verbonden is met de natuur en derhalve niet als een zelfstandige entiteit wordt weergegeven. De ‘Ridders’, ‘Figuren’ of ‘Mannen’ vormen bijna een eenheid met hun achtergrond. De ‘Torens’, symbool van de menselijke activiteit, lijken te worden opgenomen door de omgeving. De formaten van de werken variëren van klein tot groot, met een voorliefde voor lange, smalle, horizontale of verticale formaten.

In 1955 werd Burssens medestichter van het Gentse avant-garde tijdschrift “Cyanuur”, waarvan hij de redactie van de afdeling plastische kunsten op zich nam. Hij ontwierp tevens de kaft van het tijdschrift. Burssens’ invloed op de Vlaamse moderne kunst mag niet onderschat worden. Zijn internationale contacten, zijn vriendschap met tal van belangrijke culturele spelers en zijn didactische rol via het tijdschrift “Cyanuur” of vanaf 1961 als lesgever aan de Academie van Gent gaven Burssens een grote credibiliteit. Het is niet verwonderlijk dat hij in 1957 tot een van de medstichters behoorde van de ‘Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst’ te Gent, het latere S.M.A.K.

De tweede helft van de jaren 1950 werden voor Burssens de belangrijkste in zijn carrière. In 1958 nam hij deel aan de Wereldtentoonstelling te Brussel en aan de Biënnale van Venetië, won de Guggenheim Prijs te New York (het gelijknamige museum kocht ook werk van de kunstenaar) en kon dankzij een beurs van de UNESCO voor iets meer dan vier maanden in New York verblijven. De stad was op dat ogenblik het artistieke centrum van de wereld en Burssens zocht er vooral contact op met hedendaagse kunstenaars, voornamelijk deze die vandaag worden gerekend tot de ‘Abstract Expressionists’. Het resultaat van de contacten met onder meer Franz Kline, Robert Morris, Philip Guston en Robert Motherwell was een hernieuwde belangstelling voor de in Europese termen gedubde ‘Peinture Gestuelle’. Deze invloed is duidelijk merkbaar in Burssens’ werk van na 1958.

Burssens schilderde niet in New York, en hervatte zijn werk pas na een verblijf van enkele maanden in Parijs. Na deelname aan de Biënnale van Tokyo in 1959 en een opgemerkte deelname aan de Documenta II te Kassel leek de creativiteit van Burssens geen grenzen meer te kennen. De invloed van zowel de Amerikaanse als de Europese avant-garde deden zijn werk evolueren naar een meer informele benadering van zijn schilderswijze, terwijl – en dit is eigenlijk een contradictie – het onderwerp van zijn schilderijen zeer concreet wordt. Burssens schilderde ’landschappen’ en ‘figuren’ maar de manier waarop ze werden geschilderd (vaak met driptechniek, incorporatie van vreemde materialen als zand en keien, combinatie van autolak, olieverf, acryl, enz.) maakte deze thema’s bijna onherkenbaar. Daarbij kwam nog dat Burssens zich stilaan ontpopte tot een ‘barokke’ schilder die zijn soms enorme formaten voorzag van een dynamiek en beweging die we onder meer terugvinden in de altaarstukken van Rubens. Het is niet verwonderlijk dat vele van zijn werken nog steeds goed functioneren in publieke ruimtes. Een halve eeuw na hun ontstaan komen ze nog fris en confronterend over. Burssens’ virtuositeit tijdens die jaren is en blijft verbluffend.

Misschien was het nu net die virtuositeit die Burssens deed twijfelen. Max Ernst zei ooit: “un artiste qui a trouvé, est perdu”. Burssens keerde zich af van zijn quasi abstracte werken om terug te keren naar de figuratie en meer bepaald naar de portretschilderkunst. Dit proces begon in 1965 en kende zijn eerste hoogtepunt in de jaren 1969-1970 met onder meer de reeks van schilderijen die hij maakte rond Che Guevara en Chino. Deze portretten die Burssens’ voorliefde voor de kunst van Goya en Velasquez illustreren, combineren de informele schilderstijl van de vorige jaren voor de achtergrond met een vrije tot zeer realistische weergave van de figuren op de voorgrond.

De portrettenreeks van Burssens overheerste zijn werk van de jaren 1970 en 1980. Figuren werden gekozen voor hun iconische waarde (Che, Chino, Kennedy, Hitler, Marilyn Monroe, Picasso, Ella Fitzgerald,…) en werden vaak op een groot vierkant formaat van 200 x 200 cm weergeven. De grote breuk met zijn vroegere werk en vooral het veranderen van de kunstwereld rondom de kunstenaar heeft grote gevolgen. Burssens' werk lijkt inhoudelijk op dat van de Pop Art-kunstenaars, maar terwijl deze laatsten hun werk en werkwijze onlosmakelijk verbonden zagen met de moderne consumptiemaatschappij, leek Burssens met zijn ‘klassieke’ werkwijze zich af te keren van de moderniteit. De opkomst van de conceptuele kunst, vooral in Gent duidelijk merkbaar bij de tentoonstellingen die in het jonge Museum voor Hedendaagse Kunst werden georganiseerd, deden de kloof tussen Burssens en de kunstwereld verder groeien.

Wanneer de kunstenaar in de jaren 1990 meer en meer terugkeerde naar de natuur en ook opnieuw veel begon te tekenen, teruggetrokken in het verre Merendree, leek hij haast verdwenen uit de Belgische kunstwereld. Jan Burssens overleed in 2002 maar liet onvoorstelbaar rijke en verscheiden werken na.

Het is het privilege van de plastische kunstenaar dat hij blijft voortleven in zijn werken. Het is ons voorrecht om deze werken opnieuw aan het publiek te kunnen tonen en zo de figuur Jan Burssens opnieuw tot leven te brengen. 

Jan Burssens

Jan Burssens

Jan Burssens in his workshop, 1950's.